Vasten in de christelijke traditie


Info
Bij het begin van de vasten of de veertigdagentijd worden in de katholieke traditie twee kernteksten gelezen om ons op het juiste spoor te zetten. De eerste is van een profeet: ‘Scheur uw hart, niet uw kleren’, (uit Joël 2,12-18). De tweede tekst is een woord van Jezus uit het evangelie: ‘Wanneer je vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen’ (uit Matteüs 6,16-18).

In het begin van de kerk
- vasten door de week (vasten volgens kalender) We lezen in het evangelie van Lucas, dat de farizeeën tweemaal per week een vastendag hebben, de maandag en de donderdag. De vroege kerk neemt deze vastenpraktijk van het jodendom over, maar onderscheidt zich door de vastendagen te plaatsen op de woensdag en de vrijdag. De woensdag als herinnering aan het verraad door Judas, de vrijdag als herinnering aan het lijden en de dood van Jezus,. In sommige streken wordt ook de maandag een vastendag, in andere streken wordt de zaterdag als voorbereiding op de zondag een vastendag.
Op de woensdag en vrijdag eet men niet tot 15.00 uur of tot aan de avond, zoals later Benedictus in zijn klooster regel aanraadt (Regel van Benedictus, hoofdstuk 4,1; op welke uren de broeders moeten eten. Zie ook hieronder bij monnikendom)

- vasten als voorbereiding op pasen (vasten volgens kalender) Aanvankelijk vasten christenen de drie dagen voor Pasen, later wordt dat uitgebreid naar de hele Goede Week en op het einde van de derde eeuw beschouwt men de veertig dagen voor Pasen als een doorlopende tijd om te vasten. De drie dagen voor Pasen onthoudt men zich helemaal van voedsel.

Vanaf de vierde eeuw
- quatertemperdagen (vasten volgens kalender)
In de vierde eeuw komen we ook al de quatertemperdagen tegen. Quatertemper betekent: vier tijden of vier seizoenen. Quatertemperdagen zijn de boete- en vastendagen, waarmee elk van de vier seizoenen wordt begonnen:
. woensdag, vrijdag en zaterdag in de pinksterweek;
. de derde volle week van september (na het feest van de kruisverheffing);
. de week na de derde zondag van de advent;
. de week na de eerste zondag van de vasten.

- vasten in het monnikendom
In de loop van de derde en vierde eeuw komt in het christendom een levenswijze tot ontwikkeling die bepalend wordt voor het gezicht van de kerk: het monnikendom.

In deze tijd wordt het christendom staatsgodsdienst en het is niet meer nodig om met de marteldood getuigenis af te leggen van het heil in Jezus Christus. Sommige gelovigen (mannen en vrouwen, abba’s en amma’s, doorgaans woestijnvaders genoemd) zoeken en vinden nieuwe manieren om de blijde boodschap te verkondigen. Ze trekken in navolging van Jezus, de woestijn in om zich daar eenzaamheid, armoede, gebed en seksuele onthouding geheel aan God te wijden. Er zijn vele verhalen van beproevingen in de woestijn. Voor deze anachoreten (anachorein = zich terugtrekken) of heremieten (eremos = woestijn, verlatenheid) bestaat er nog geen levensregel. Excessen komen voor: sommigen leven naakt als dieren en voeden zich met gras, anderen zitten hun leven lang op een zuil of leven reeds in hun graf.

Wanneer later asceten (askesis = oefening, training) bij elkaar gaan wonen, ontstaan er leefgemeenschappen, de kloosters.
Benedictus is niet de eerste die een regel voor de kloosters heeft geschreven, maar zijn regel (uit 530) heeft wel tot op de dag van vandaag grote invloed. De kans op een sterke tegenstelling tussen lichaam en geest, ten koste van het lichaam is er altijd in het christendom geweest. Maar kenmerkend in de regel van Benedictus is de milde toon en de wijsheid die er uit spreekt. Geheel in de traditie van het jodendom blijven in het vasten lichaam en geest met elkaar verbonden, zonder valse tegenstellingen tussen lichaam en geest.

De kerkvaders Tertullianus (ic 240) en vooral Augustinus (ic 430) zien het lichaam en de menselijke natuur als zondig. De geest is voor hen de enige mogelijkheid om tot godskennis te komen. In deze vorm van geloven kan vasten snel tot een vorm van verwaarlozing van het lijfelijke, van lichaamsverachting uitgroeien. Omdat vrouwen door hen met natuur en lichaam worden geassocieerd en mannen met de geest, ontwikkelt zich een vrouwvijandige wijze van geloven, dat grote invloed heeft gehad op de plaats van vrouwen in de katholieke kerk.

Het vasten krijgt een reguliere plaats in het kloosterleven en ook alle andere gelovigen ontvangen ‘het zachte juk van het vasten’.

Vanaf de zestiende eeuw
- vasten en sacramenten
Naast de vastendagen die bepaald worden door de kalender, ontstaat er ook het vasten dat bepaald wordt door het ontvangen van de sacramenten:
. als voorbereiding op het ontvangen van de doop en het vormsel, voor de verzoening bij de biecht.
. vóór de eucharistie ziet de gelovige af van eten en drinken: In de eucharistie vieren de gelovigen een maaltijd. De gelovige ziet af van eten en drinken om beter de zeer innige Godsontmoeting in de eucharistie te kunnen ervaren, wanneer brood en wijn ontvangen worden als lichaam en bloed van Christus.

- vasten en reformatie
De reformatoren uit de 16e eeuw lopen te hoop tegen de vaak louter uiterlijke vormen van vroomheid en inkeer bij het vasten. Er zijn er die demonstratief varkensworst eten tijdens de vastentijd. Later schaffen de reformatoren het verplichte vasten feitelijk af als een al te menselijke poging God te beïnvloeden en de genade te kopen.

Vanaf de twintigste eeuw
Het vasten in de rooms- katholieke kerk lag inmiddels vast in uitgebreide regels van vasten en onthouding: meer regels dan inhoud, meer lichamelijk vasten dan het doen van gerechtigheid.. Het werd dan ook tijd tot een herbezinning op vasten.

Het Tweede Vaticaans Concilie (einde 1965) bracht de vastendagen terug tot twee verplichte: Aswoensdag en Goede Vrijdag.
De nadruk in de jaarlijkse Vastenactie wordt gelegd op de zorg voor de naaste en het doen van gerechtigheid.

De laatste jaren is de interesse voor het vasten als geestelijke en lichamelijke reiniging, als uitdrukking van verbondenheid met God aan het terugkomen.